De modus is de waarde die het vaakst voorkomt in een gegevensset. In tegenstelling tot het gemiddelde en de mediaan kan een gegevensset meer dan één modus hebben of helemaal geen modus.

De modus vinden: een proces in 3 stappen

  1. Sorteer de gegevens: Rangschik de waarden van kleinste naar grootste om het tellen te vergemakkelijken.
  2. Tel de frequenties: Bepaal hoe vaak elke waarde voorkomt.
  3. Identificeer de meest voorkomende: De waarde (of waarden) met de hoogste frequentie is de modus.

Opgeloste voorbeelden

Voorbeeld 1: Één modus (Unimodaal)

Gegevensset: {2, 4, 4, 6, 7, 4, 9}

Na sortering: 2, 4, 4, 4, 6, 7, 9

Frequentie van elke waarde:

  • 2 β†’ 1 keer
  • 4 β†’ 3 keer
  • 6 β†’ 1 keer
  • 7 β†’ 1 keer
  • 9 β†’ 1 keer

Modus = 4 (komt het vaakst voor)

Voorbeeld 2: Twee modi (Bimodaal)

Gegevensset: {1, 2, 2, 3, 5, 5, 7}

Frequentie van elke waarde:

  • 1 β†’ 1 keer
  • 2 β†’ 2 keer
  • 3 β†’ 1 keer
  • 5 β†’ 2 keer
  • 7 β†’ 1 keer

Modi = 2 en 5 (beide komen twee keer voor)

Voorbeeld 3: Geen modus

Gegevensset: {1, 2, 3, 4, 5}

Elke waarde komt slechts één keer voor, dus er is geen modus.

Wanneer de modus gebruiken

Situatie Geschikte maatstaf
Gemiddeld salaris in een bedrijf Mediaan
Meest verkochte schoenmaat Modus
Centrum van testresultaten Gemiddelde of mediaan
Meest voorkomend defecttype in een fabriek Modus

Modus bij gegroepeerde gegevens

Bij het werken met gegevens gegroepeerd in klassen kan de modus worden geschat met de volgende formule:

Modus = L + [(f₁ βˆ’ fβ‚€) / (2f₁ βˆ’ fβ‚€ βˆ’ fβ‚‚)] Γ— h

waarbij:

  • L = ondergrens van de modale klasse
  • f₁ = frequentie van de modale klasse
  • fβ‚€ = frequentie van de klasse vΓ³Γ³r de modale klasse
  • fβ‚‚ = frequentie van de klasse na de modale klasse
  • h = klassebreedte

Deze formule wordt veel gebruikt in de statistiek bij het analyseren van gegevens georganiseerd in frequentietabellen.